Uitspraak ECLI:NL:CBB:2019:13

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Bestuursrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-01-2019. De uitspraak is gedaan door College van Beroep voor het bedrijfsleven op 08-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:CBB:2019:13, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 17/1343


Bron: Rechtspraak

uitspraak
(gemachtigde: mr. A.F. Bosma).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 8 januari 2019 in de zaak tussen [naam 1] V.O.F. h.o.d.n. Firma [naam 2] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 17/1343 5111

en

ECLI:NL:CBB:2019:13:DOC
nl

uitspraak
(gemachtigde: mr. A.F. Bosma).
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVENuitspraak van de meervoudige kamer van 8 januari 2019 in de zaak tussen [naam 1] V.O.F. h.o.d.n. Firma [naam 2] , te [plaats] , appellantede minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
zaaknummer: 17/1343 5111
en

procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder bezwaar aangetekend tegen een overdracht van betalingsrechten aan appellante op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling).

Bij besluit van 16 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2018. Appellante is - zonder bericht van verhindering - niet verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

overwegingen

Overwegingen

1.1
Op 21 maart 2017 is bij verweerder een melding overdracht betalingsrechten gedaan ter zake van de overdracht van 6,00 betalingsrechten van [naam 3] aan appellante.
1.2
Verweerder heeft appellante bij brief van 20 april 2017 geïnformeerd dat degene die de betalingsrechten overneemt moet voldoen aan de voorwaarde van het zijn van actieve landbouwer. Aan deze voorwaarde is voldaan als het bedrijf van appellante met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). Verweerder heeft geconstateerd dat appellante met een landbouwactiviteit als nevenactiviteit is geregistreerd bij de KvK en dat de hoofdactiviteit geen landbouwactiviteit is. Zij voldoet dan ook niet aan de voorwaarde van het zijn van actieve landbouwer en kan daarom geen betalingsrechten overnemen. Verder heeft verweerder appellante de mogelijkheid gegeven alsnog aan te tonen dat zij actieve landbouwer is door een accountantsverklaring te overleggen, of een inschrijving bij de KvK te overleggen waarbij de landbouwactiviteit van appellante als hoofdactiviteit staat geregistreerd, mits die inschrijving overeenkomt met haar feitelijke bedrijfssituatie.
1.3
Bij het primaire besluit heeft verweerder bezwaar aangetekend tegen de overdracht van betalingsrechten omdat appellante, als overnemende partij, niet voldoet aan de voorwaarde van het zijn van actieve landbouwer. Appellante is niet met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit geregistreerd bij de KvK. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de door verweerder bij brief van 20 april 2017 geboden mogelijkheid om alsnog aan te tonen dat zij wel actieve landbouwer is.
1.4
Appellante heeft zich in bezwaar op het standpunt gesteld dat zij aangemerkt kan worden als actieve landbouwer. Volgens appellante zijn zowel de druiventeelt als de verbouw van voedergewassen zeer intensief en de belangrijkste basis voor het bedrijf. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een uittreksel uit het handelsregister van de KvK van 30 mei 2017 aan verweerder doen toekomen. Hieruit blijkt dat appellante was ingeschreven met de achtereenvolgende activiteiten met bijbehorende SBI-codes:1107 - Vervaardiging van frisdranken; productie van mineraalwater en overig gebotteld water4725 - Winkels in dranken47911 - Detailhandel via postorder en internet voedingsmiddelen en drogisterijwaren0121 - Druiventeelt1102 - Vervaardiging van wijn uit druiven0111 - Teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden01193 - Teelt van voedergewassen.
1.5
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2. Appellante heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat zij al per 1 januari 2017 actieve landbouwer was. Omdat haar bedrijf pas per 1 januari 2017 actief is geworden, kon appellante geen accountantsverklaring overleggen. De inschrijving bij de KvK is inmiddels hersteld, in die zin dat appellante met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit staat geregistreerd bij de KvK. Ten bewijze daarvan heeft appellante een uittreksel uit het handelsregister van de KvK van 31 augustus 2017 overgelegd. Hieruit blijkt dat appellante was ingeschreven met de achtereenvolgende activiteiten met bijbehorende SBI-codes:
3. In het verweerschrift heeft verweerder zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd. Ter onderbouwing van het standpunt dat appellante ten tijde van de melding overdracht niet voldeed aan de voorwaarde van het zijn van actieve landbouwer, heeft verweerder een verkort uittreksel uit het handelsregister van de KvK van 4 januari 2018 overgelegd. Hieruit blijkt dat de Code hoofdactiviteit 0121, Druiventeelt, per 21 augustus 2017 is geregistreerd.
4. In beroep ligt de vraag voor of verweerder terecht bezwaar heeft aangetekend tegen de overdracht van betalingsrechten op de grond dat appellante ten tijde van de melding overdracht betalingsrechten niet aangemerkt kon worden als actieve landbouwer.
0121 - Druiventeelt4725 - Winkels in dranken47911 - Detailhandel via internet in voedingsmiddelen en drogisterijwaren1102 - Vervaardiging van wijn uit druiven0111 - Teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden01193 - Teelt van voedergewassen1107 - Vervaardiging van frisdranken; productie van mineraalwater en overig gebotteld water.
4.1
Op grond van artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 1307/2013) kunnen betalingsrechten uitsluitend worden overgedragen aan een landbouwer die overeenkomstig artikel 9 het recht heeft op toekenning van rechtstreekse betalingen. Artikel 9 van Verordening 1307/2013 bepaalt - kort samengevat - dat een rechtstreekse betaling alleen wordt toegekend aan een actieve landbouwer.
4.2
Artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013 bepaalt dat de lidstaten op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria kunnen besluiten dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen: a) van wie de landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel uitmaken van hun totale economische activiteiten; en/of b) van wie de voornaamste activiteit of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit is.
4.3
In artikel 13, derde lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (Verordening 639/2014) is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor de toepassing van artikel 9, derde lid, onder b), van Verordening 1307/2013 een landbouwactiviteit als het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van een rechtspersoon wordt aangemerkt indien deze activiteit als voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel is geregistreerd in het officiële bedrijvenregister.
4.4
Op grond van artikel 2.3, derde lid, van de Uitvoeringsregeling, zoals dit luidde ten tijde van belang, worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan landbouwers die niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag zijn ingeschreven in het handelsregister onder de vermelding van de verkorte omschrijving van een landbouwactiviteit. Ter uitvoering van artikel 9, derde lid, van Verordening 1307/2013 werd ten tijde van belang in artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling bepaald dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan een landbouwer indien uit de inschrijving, bedoeld in het derde lid, volgt dat de landbouwactiviteit geen hoofdactiviteit is. In het vijfde lid van artikel 2.3 van de Uitvoeringsregeling werd ten tijde van belang bepaald dat het vierde lid niet van toepassing is indien de in dat lid bedoelde landbouwer door middel van een accountantsverklaring aantoont dat de landbouwactiviteit niet een onaanzienlijk deel uitmaakt van de totale economische activiteiten.
4.5
In artikel 25, eerste lid, van Verordening 639/2014 is bepaald dat betalingsrechten op elk moment van het jaar mogen worden overgedragen.
4.6
Vast staat dat appellante ten tijde van de ‘Melding overdragen betalingsrechten’ op 21 maart 2017 met de activiteit ‘Vervaardiging van frisdranken; productie van mineraalwater en overig gebotteld water’ met SBI-code 1107 als hoofdactiviteit stond ingeschreven in het handelsregister van de KvK. Naar het oordeel van het College kan deze activiteit niet als landbouwactiviteit worden aangemerkt. Als hoofdactiviteit van de onderneming van appellante stond ten tijde van de melding dan ook geen landbouwactiviteit geregistreerd in het handelsregister van de KvK. Voor zover, zoals appellante heeft gesteld, de druiventeelt en de verbouw van voedergewassen zeer intensief en de belangrijkste basis voor haar bedrijf zijn, kan dat hieraan niet afdoen, omdat de inschrijving in het handelsregister bepalend is. Dat appellante haar inschrijving in het handelsregister op 21 augustus 2017 heeft gewijzigd in ‘Druiventeelt’ met SBI-code 0121 als hoofdactiviteit, kan evenmin aan het voorgaande afdoen, omdat dit niet tot gevolg heeft dat appellante daadwerkelijk ten tijde van de melding overdracht stond ingeschreven met een landbouwactiviteit als hoofdactiviteit.
4.7
Het voorgaande brengt mee dat de inschrijving van appellante in het handelsregister van de KvK ten tijde van de melding overdracht niet voldeed aan artikel 2.3, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling. Appellante diende dan ook op andere wijze dan door middel van een inschrijving in het handelsregister aan te tonen dat zij een actieve landbouwer was, namelijk door het indienen van een accountantsverklaring. Appellante heeft een dergelijke verklaring niet overgelegd, zodat appellante evenmin heeft voldaan aan artikel 2.3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, zij geen accountantsverklaring kon overleggen omdat haar bedrijf pas sinds 1 januari 2017 actief is, kan niet eraan afdoen dat zij niet aan genoemde eis voldeed. In dit verband acht het College van belang dat verweerder appellante bij brief van 20 april 2017 al erop heeft gewezen dat zij niet voldeed aan de voorwaarde van het zijn van actieve landbouwer. Zij is op dat moment in staat gesteld om alsnog aan te tonen dat zij actieve landbouwer was door een accountantsverklaring te overleggen. Onder die omstandigheden mocht van appellante als professionele marktdeelnemer worden gevergd dat zij, als zij meende dat zij niet in staat zou zijn een dergelijke accountantsverklaring in te dienen, (zoals verweerder ook in het verweerschrift heeft opgemerkt) contact had opgenomen met verweerder om te onderzoeken of er andere mogelijkheden bestonden om aan te tonen dat zij actieve landbouwer was. Dat heeft appellante echter niet gedaan. Verder is niet gebleken dat appellante niet uiterlijk in de bezwaarfase alsnog een accountantsverklaring had kunnen overleggen waaruit bleek dat zij ten tijde van de melding overdracht een actieve landbouwer was.
4.8
Gelet op het hiervoor overwogene komt het College tot de conclusie dat verweerder terecht bezwaar heeft aangetekend tegen de overdracht.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

beslissing

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.L. van der Beek, mr. T. Pavićević en mr. T.L. Fernig-Rocour, in aanwezigheid van mr. L.N. Nijhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2019.

w.g. H.L. van der Beek w.g. L.N. Nijhuis